Trifluridine tipiracil bij ER/PR+ Her2- gemetastaseerd mammacarcinoom
TIBET is een fase 2 niet-gerandomiseerde studie waarbij het primaire eindpunt (DCR) niet beoordeelbaar is volgens PASKWIL. Gezien het frequent voorkomen van gemetastaseerd mammacarcinoom is een gerandomiseerde studie in deze setting waarschijnlijk mogelijk.
Orale behandeling met trifluridine/tipiracil bij gemetastaseerd intensief voorbehandeld ER/PR+ Her2- mammacarcinoom leidt tot een DCR van 60.4% na 8 weken en een ORR van 14%. Deze resultaten voldoen niet aan de PASKWIL-criteria voor niet-gerandomiseerde studies voor een positief advies; Op grond van deze overwegingen kan geen positief advies voor off-label vergoeding worden gegeven.
De patiëntaantallen zijn groot genoeg zijn voor het opzetten van een gerandomiseerde studie met een controle-arm. Er worden in de studie meerdere behandelopties beschreven die zouden kunnen dienen als referentiebehandeling. Daarnaast is een gerandomiseerd onderzoek gaande (zie clinicaltrials.gov).
Op basis van deze overwegingen kan geen steun worden gegeven aan het verzoek voor een offlabel vergoeding van gemcitabine icm docetaxel voor de intravesicale behandeling van NMIBC.
Op basis van de verwachte patentduur van pembrolizumab heeft cieOOM een uitspraak gedaan over de off-label indicatie van pembrolizumab voor het endemisch of klassiek Kaposi sarcoom. Op basis van de resultaten van kleine studies voldoet pembrolizumab aan de NRS-criteria en ondersteunt cieOOM deze aanvraag.
Goed uitgevoerde en gedocumenteerde studie met homogene sterk geselecteerde CKS-populatie.
Geen subgroep die meer of minder benefit lijkt te hebben.
Gezien zeldzaamheid (0,02-1,6/100.000, extreme rare) en evidente effectiviteit in single arm-studie is deze combinatiebehandeling met deze resultaten voldoende voor een positief oordeel voor off label toepassing voor CKS, met een DoR ruim boven de PASKWIL NRS-criteria.
De vraagstelling bij de aangeleverde dossiers is duidelijk gedefinieerd als een mogelijke plaats voor CAPOX/FOLFOX als INDUCTIE behandeling bij gevorderd CRC. Semantisch moet bij een dergelijke aanvraag gesteld worden dat er sprake is van dusdanig lokaal gevorderde ziekte dat deze als primair niet in opzet curatief resectabel wordt geduid.
Het is duidelijk dat er in bovengenoemde situatie een plaats voor chemotherapie bestaat, waarbij het bijvoorbeeld opvallend is dat capecitabine wel een registratie heeft voor de behandeling van lokaal gevorderd mammacarcinoom maar niet voor het lokaal gevorderd colorectaal carcinoom.
De bijgevoegde literatuur bij deze aanvraag beantwoordt de vraag van de plaats van neoadjuvante behandeling met chemotherapie bij gevorderd maar resectabel colorectaal carcinoom. Er kan gesteld worden dat op basis van tumorbiologische afwegingen er een plaats kan zijn voor chemotherapie die perioperatief wordt gegeven in plaats van alleen postoperatief (indien dit laatste geïndiceerd is), waarbij er op basis van klinische afwegingen conform PASKWIL-criteria geen uitspraak kan worden gedaan over de daadwerkelijk (toegevoegde) waarde van deze behandeling.
Wanneer de resultaten van beide aangeleverde (neo)adjuvante dan wel inductiestudies worden afgezet tegen de huidige adjuvante PASKWIL-criteria zijn de data van de FOXTROT-studie met een verschil in DFS op T=2 jaar (16,9 vs 21,5%, HR 0,72) niet beoordeelbaar (er is geen gekwantificeerde data op T=3 jaar) en was de studie niet gepowered om een verschil in OS aan te tonen.
De resultaten van de OPTICAL-studie tonen na een mediane follow-up van 48 maanden een niet significant verschil in DFS na 3 jaar van minder dan 5% met een bijpassende HR van 0,74. Deze data voldoen niet aan de criteria voor een voorlopig positief advies volgens de huidige adjuvante PASKWIL-criteria.
Resumerend kan cieOOM op basis van de aangeleverde data de aanvraag voor de indicatie INDUCTIE dan wel neoadjuvante behandeling CAPOX/FOLFOX voor lokaal gevorderd colorectaal carcinoom niet beoordelen.
De hier besproken niet gerandomiseerde (basket)studie met brigatinib in NF2-gerelateerde tumoren toont resultaten die niet voldoen aan de huidige PASKWIL-criteria voor dergelijke studies. Er ontbreekt tevens een biologische rationale voor de toepassing van brigatinib bij deze indicaties. Deze overwegingen ondersteunen dus niet de aanvraag voor een off label add-on. Tot slot is de patentduur (2035?) langer dan de 2 jaar waarbinnen de CieOOM momenteel kan beoordelen.
Deze single arm fase 2-studie van Chalabi et al. laat zoals bekend indrukwekkende resultaten bij de subgroep van coloncarcinoompatiënten met een MSI-tumor zien.
Het betreft neoadjuvante behandeling bij resectabele tumoren, waarbij onduidelijk is wat de pathologische stadiëring zou zijn bij primair resectie. Ook is er geen data over het natuurlijk beloop na alleen resectie, omdat de studie geen controlegroep heeft. Tevens betreft het weliswaar een zeldzame indicatie, maar blijken er wel gerandomiseerde studies te worden gedaan bij dMMR/MSI coloncarcinoom, zodat ook de vraag kan zijn of een single arm-studie voldoende is om tot een advies te komen.
Tijdens de vergadering komen we tot de conclusie dat de cieOOM, net als de cieBOM, geen criteria heeft waarmee we deze resultaten kunnen beoordelen.
Dit onderwerp betreffende het ontbreken van neo-adjuvante beoordelingscriteria heeft de aandacht van cieBOM, we zullen dit nogmaals agenderen in het bestuurlijk overleg binnen de NVMO.
De aangeleverde studies geven geen antwoord op de vraag wat de toegevoegde waarde van chemotherapie met CAPOX of FOLFOX binnen totale neaoadjuvante therapie voor het rectumcarcinoom is, waardoor deze aanvraag niet door cieOOM is te beoordelen.
De opzet van de UNICANCER-PRODIGE 23-studie raakt meer aan de vraag wat de toegevoegde waarde van chemotherapie aan een (in beide armen van de studie) vergelijkbaar chemoradiotherapie schema is, en laat met voldoende follow-up duur een significant effect zien op het secundaire eindpunt OS. Omdat echter in deze studie alle patiënten na de rectumresectie adjuvant chemotherapie ontvingen, hetgeen in Nederland geen staande praktijk is, kunnen de resultaten van deze studie niet voor de Nederlandse situatie worden geïnterpreteerd.
De aangeleverde studies geven geen antwoord op de vraag naar de toegevoegde waarde van chemotherapie met CAPOX of FOLFOX binnen totale neaoadjuvante therapie voor het rectumcarcinoom, waardoor deze aanvraag niet door cieOOM is te beoordelen
Er is geen rationale waarom AIDS related KS anders op systemische behandeling zou reageren CKS. Er is zeer beperkte data voorhanden voor de groep CKS. Op basis van tumorbiologie is het echter aannemelijk dat de effectiviteit van liposomaal doxorubicine bij AIDS geassocieerd KS vergelijkbaar zal zijn die bij CKS. Daarom formuleert cieOOM een positief advies voor off-label vergoeding.